header image
Home arrow Collectie arrow eigen collectie

Onderstaande medische antiquaria maken deel uit van mijn persoonlijke collectie. Op geregelde tijdstippen worden  nieuwe items voorgesteld maar niet verkocht.

 

OOGPROTHESES Print
                                                             

                                                                       

                                                                       Volledige Set Glazen Kunstogen

                                                                  1880-1900                                                                                                                     

During the American Civil War many soldiers lost the sight of one or both eyes due to the impact of shrapnel or gunpowder.
The most suitable treatment in these kinds of cases was the removal of the affected eye, since otherwise it was likely to become infected, thus endangering the patient’s life.
In this way, in the years immediately following the Civil War there emerged a new trade, that of glass eye seller. These travelling salesmen went from house to house with a box full of glass eyes and sold their products, after long comparison of the remaining eye with the items in the stock box. It is of course striking that the glass eye is not an exact imitation of an eye, but only of part of it. The reason was that the space of the eye socket filled with scar tissue, so that there was room only for a flattened glass model, with iris and pupil( Boerhaave Museum)l.



Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog verloren veel soldaten door inslaande granaatscherven of door kruit, het licht in één of beide ogen.
De meest geëigende behandelingtechniek in dit soort gevallen was het verwijderen van de aangetaste oogbol, omdat het oog anders ging ontsteken, waardoor een levensbedreigende situatie kon ontstaan.
In de jaren direct na de burgeroorlog ontstond zo een nieuw beroep, dat van glazen ogenverkoper. Deze handelsreizigers trokken met een doos vol glazen ogen langs de deur en verkochten hun producten, na langdurig vergelijken van het nog aanwezige oog met de exemplaren uit de vooraaddoos. Opmerkelijk is natuurlijk, dat het glazen oog geen nauwkeurige imitatie van een oogbol is, maar slechts van een gedeelte ervan. De ruimte van de oogkas vulde zich namelijk met littekenweefsel en er was dus slechts plaats voor een afgeplat glazen model, met iris en pupil. (Bron :Boerhaeve Museum Leiden )

Carbol-verstuiver van Lister Print

                                                                       

                                                                            Carbol-spray van Lister 

                                                                                       1890           

 

 

Professor Lord Joseph Lister.

Gepubliceerd op 11 mei 1912

 Professor Lord Joseph Lister, de wijd vermaarde Engelsche arts en een der grootste weldoeners van het lijdende menschdom, stierf te Londen, enkele weken geleden, den 12en Februari 1912. Hem werd het groot geluk verleend den gezegenden ouderdom van omtrend 85 jaren te bereiken, in de volle kracht van eene kloeke gezondheid, in den rijpen bloei en het heerlijk genot van een meesterlijk verstandsvermogen, omglansd met de glorie van eene welverdiende wereldberoemdheid!
Vijf jaar geleden, op den 5en April 1907, bij het vieren van zijnen tachtigjarigen geboortedag, werden hem, uit alle werelddeelen, blijken gezonden van hooge waardering en van gepreezen vereering.  Indien de waarde van eenen mensch geschat kan zijn, indien de grootte van eenen man berekend mag worden naar het getal door zijn vernuft geredde menschenlevens, dan behoort voorzeker Joseph Lister tot een der grootsten die ooit op de wereld geleefd hebben!
Om het werk van Lister in der werkelijkheid te wegen, om de heerlijkheid te begrijpen der nieuwe banen die Lister op geestelijk of wetenschappelijk gebied geopend heeft, is het van noode, tot beter verstandenis, in een blad vooral dat niet voor vakmannen voorbehouden is, in breede trekken en in korte woorden, de geschiedenis der heelkunde van oudscher te schetsen.
Gelijk alle andere wetenschappen heeft de heelkunde, in den loop der eeuwen, tijdstippen van glanzenden vooruitgang gekend, doorsneden door jaren van verval of stilstand tenminste. Gelijk alle andere kunsten, hangt de heelkunde in haar geschiedenis een heerlijk tafereel op waar de tijdstippen van vooruitgang geteekend staan als eene reeks bergen, wier toppunten glinsteren onder het geschetter en 't zonnegelaai van eenen heerlijken bloei, afgebakend door de schaduw en de duisternis der laagten van verval en verkwijning1.
Reeds bij de oervolkeren werd de Heelkunde, de zoogeheten “wondbehandeling” in hooge achting gehouden. Nalatenschap uit hunne geschiedenis, kunstgewrochten en schilderijen der toenmalige meesters ―zoo als deze die den slag van Troja weergeven― verduidelijken ons de waarde door koningen en prinsen, en al de grooten der wereld, gehecht aan Heelkunde en de Heelmeesters. De ontgravingen, die men in Egypte heeft aangevangen, leeren ons welk uitgestrekt gebied de Heelkunde, reeds dan, met eer betrok. Tot in den Romeinschen Keizertijd toe, klom zij, van trap tot trap, den weg op van prachtigen bloei en hooggeschatte waardeering.
Dan echter, bij het vervallen van het Romeinsche Keizerrijk, volgde ook voor de Heelkunde een gelijkloopend tijdstip van verval, waaruit zij, later tijde, opstond dank den Arabieren, die een bedreven meesterschap in de Heelkunde hadden verworven. Toen de hergeboorte in Italië een nieuw bloeiend leven in kunst en wetenschap goot, miek de Heelkunde, gerugsteund door ontleedkundige studiën, rassen en werkelijk verbazenden vooruitgang. In de volgende tijden schonken Italië, Frankrijk en Engeland, mitsgaders enkele andere beschaafde landen, de geneeskundige wetenschap eene reeks meesters van allereerste gehalte. Genoeg zij het hier de namen te noemen van Ambroise Paré, de groote ―sommigen zeggen de grootste― Fransche heelmeester, die, tusschen meer andere heerlijke uitvindingen, het ontbinden der bloedvaten in voege bracht, en, zoo doende, sterke en dikwijls doodelijke nabloeding bij heelkundig ingrijpen verhelpen, of beter ―'t geen heel wat meer waard was― voorkomen mogelijk miek; van Harvey, in Engeland, die de bloedsomloop ontdekte en beschreef, en van John Hunter, die de wondbehandeling eenen wetenschappelijken grond schonk.

De tijd ging eindelijk komen dat ook de Heelkunde het middel zou gegeven zijn pijn te stillen, pijn te voorkomen en dus pijnloos te werken, en dat het uit en amen zou wezen met dien gruwel, die, met recht en reden, iederen zieke, in heelmeesters handen, beviel... De Amerikaansche scheikundige Jackson ontdekte dat men, door inademing van ether, dieren volkomen bewusteloos en gevoelloos maken kon. In 1486 voerde de Amerikaansche tandarts Morton de eerste gevoelloosmaking door ether bij den mensch uit. Een jaar later, den 10den November 1847, deelde Simpson, in het Geneeskundig genootschap van Edinburgh, zijne ervaringen mede over het gebruik van chloroform, dat reeds door Soubeiran in 1831 ontdekt werd. De gevoelloosmaking was geboren, en een niet te schatten weldaad was het lijdend menschdom geschonken.
De weg, onbegrensd zoo het bleek, zou nu voortaal open liggen tot de volledigste ontwikkeling der heelkundige wetenschap. Nu dat de zieke teenemaal gevoelloos gemaakt kon worden en het heelkundig ingrijpen teenemaal bloedloos, niets scheen den heelmeester nog te moeten weerhouden in zijne heerlijke kunst!
Niets... tenzij, eilaas, dat al wat te danken was aan vernuft en kunst, aan kennis en wetenschap, aan stouten durf en bedreven handigheid, ten grooten deele hopeloos verijdeld werd door de onverbitterlijke verettering, die den gemeesterden mensch, bijna ongenadig, ten grave sleurde!
Het standpunt van ieder heelmeester, hoe bedreven ook, zelfs dit van een Asthley Cooper, de groote Engelsche arts, was, dat elke heelkundige bewerking, dat zelfs de onbeduidendste bloedige ingreep, werkelijk en waarlijk, levensgevaar opleverde, en dus moest, als 't maar eenigzins mogelijk was, vermeden worden. Een geheimzinnig duister, een onberekenbaar en vreeselijk noodlot hong over alle wonden. Geen enkele genas zonder koorts; elke genezing, van heelkundigen aard, ging onmeedoogend gepaard met ontsteking of verettering. De wondziekten vervolgden, 'lijk een grimmige geesel, den heelmeester bij elken stap. Waar de Heelkundige binnentrad, daar stond de Dood aan de deur. Gelukkig de eenling, die uit 'd meesters handen verlost, aan haar gierige klauwen ontsnapte!
“Je l'ai opéré, Dieu l'a guéri!” (Ik heb hem gemeesterd, God heeft hem genezen) zei Ambroise Paré, de beroemde 16e eeuwsche Fransche heelmeester; en zijne wereldgemeene spreuk toont wel duidelijk aan dat de heelkunde haar verantwoordelijk en aansprakelijk heette voor de ingreep, doch niet voor toevallige wondziekten of verettering, die met hare bijna onvermijdelijke gevolgen, de rechtmatigste hoop teleur stelden, en de dood in huis lieten. Niemand vermoedde of bevroedde wat maar enigzins tot oorzaak kon dienen aan die geheimzinnige wondverettering; even onuitlegbaar bleek het toeval dat een enkele lijder genas, en dat veelal aan doodgewoon geluk of aan schaarbedeelde bovennatuurlijke tusschenkomst scheen te danken te vallen. Pirogoff schreef, in Russische toonzetting, een beroemde verhandeling over het geluk van de heelkunst, waarin de heelmeesters met kaartspelers vergeleken werden.
Dat was in den tijd toen Volkmann, de groote Duitsche meester, den heelkundige vergeleek met den landman die wel zijnen akker bebouwd, doch gelaten en gedwee den oogst verbeidt “in afwachting van de dingen die komen zouden”, volgens Stijn Streuvels' mondgemeen woord, machteloos tegenover de krachten der natuur, die hem lavenden regen en verkwikkenden zonneschijn, maar ook, vernielenden storm en verwoestende hagelvlaag kunnen brengen.
Het noodlot dezer wondziekten verdelgen, de geesel der verettering van het ziekenbed te verwijderen ging aan het vernuft van Joseph Lister voorbehouden blijven. Vroeger, vóór Lister, verloor Volkermann veertig per honderd van zijn verwikkelde beenbreuken; na het invoeren van Lister's wondbehandeling stierf van eene reeks van honderd vijf en dertig breuken geen enkele meer.
De groote Münchener heelmeester Nussbaum vertelt dat, onder zijne leiding, zoowel als onder deze van zijnen voorzaat Stromeyer, “doodelijke wondziekten op vreselijke wijze tierden”. Omtrent bij elke beenafzetting, bij elke verwikkelde of open beenbreuk stierf genadeloos de zieke aan bloedvergiftiging. Toen daarbij nog de zoogeheeten “ziekenhuisverrotting” kwam, die tachtig per honderd van alle wonden aangreep, moest er aan gedacht worden het ziekenhuis te ontruimen!
Al deze vreeselijke ellende hield met één slag op, toen Nussbaum de Listersche behandeling ging toepassen!

Deze behandeling is ontstaan als gevolg van het stellen van eene eenvoudige vraag, en het beantwoorden daarvan op eene wijze die ons nu, heden ten dage, zeer eenvoudig voorkomt, ofschoon men eeuwen lang naar dat antwoord vergeefs had gezocht. Hoe kan het toch zijn, vroeg Lister, dat de beenbreuken die niet met verwonding der huid verwikkeld zijn, de zoo geheeten “gesloten beenbreuken” zoo gemakkelijk, en zoo zeker, meestal genezen, terwijl open breuken, met plaatselijke ontsteking, koorts, verettering, en ernstige algemeene verschijnselen, zooals bloedvergiftiging, gepaard gaan, en dat zij dikwijls de beteekenis hebben van levensgevaarlijke verwondingen? De waarheid, die Lister hier ontwaarde in zijne meesterlijke eenvoudigheid, heette dat niets anders daar schuld aan kon hebben dan het toetreden van de lucht met al wat zij bevatten mag.
Lister trad dit gedacht zooveel te gemakkelijker bij daar Pasteur , de wereldberoemde meester, rechts zijne proeven over den ontledingsgang der vloeistoffen, aan gisting onderhevig, en het voorkomen daarvan door kiemvrijmaken of sterilisatie, had bekend gemaakt. Professor Henle, de Göttinger ontleedkundige, had daarbij reeds vastgesteld, in grondbeginsel zonder echter tot verdere bepaling ―wat aan Lister voorbehouden was― over te gaan, dat wondziekten te wijten waren aan 't geen hij noemde: een Contagium vivum, 't is te zeggen aan de verderfelijke werking van levende kiemen.
In 1867 verscheen in The Lancet ―het Engelsch geneeskundig tijdblad― de eerste mededeling van Lister, hierop betrekking hebbende.

 

 Zij droeg voor hoofding: “On a new method of treating compound fractures, abcess, etc., with observations on the conditions of suppuration.” (Over eene nieuwe wijze van behandeling der verwikkelde beenbreuken, abcessen, enz., met opmerkingen over de voorwaarden van het ontstaan van ettering.). In de voorgaande zes jaren had Lister de denkbeelden, in dat opstel neergelegd, geleidelijk voor zijne leerlingen ontwikkeld, naarmate ook zijn eigene gedachten geboren werden en langzaam groeiden tot eene vaste overtuiging, om ze hier, in uitvoerigen en stelselmatigen vorm, aan hen voor te dragen. Dit opstel kan tevens als bewijs dienen dat ook Lister de deugd bezat, weleens de eigene Engelandsche deugd geheeten, slechts eene wel overwogen en grond- en voetvaste meening de wereld in te zenden.
In zijn opstel droeg dus Lister de grondbeginselen van Pasteur, op de lichaamsvloeistoffen waargenomen, op de wonden over. Hierin zette hij uiteen dat alle storing der wondgenezing, die het leven van gewonden en gemeesterden bedreigd, door niets anders veroorzaakt was of worden kon dan door het indringen van levelingen of micro-organismen. Het besluit volgde daaruit dat, evenals Pasteur, in zijne wereldberoemde proef, ook de heelmeester er voor zorgen moet, wonden en wondvlakte van de lucht af te sluiten.
Daar nu echter de kiemwerende (of stereliseerende) behandeling van Pasteur, voor Lister op 's menschen lichaam niet toepasbaar bleef, vond deze hem genoodzaakt voor dit doel bijzondere scheikundige stoffen te gebruiken.
Het karbolzuur ―of acidum phenicum― scheen hem daartoe het best geschikte middel; de “karbol-spray” en een afsluitend verband de voornaamste en gepaste wapenen. Des heelmeesters messen, vliemen en al zijn verdere alaam werden in een oplossing van karbolzuur ter ontsmetting gelegd; de wonden en het lichaamsdeel , waar de heelkundige ingreep plaats nam en zelfs, een tijd lang, de gansche rechtstreekse omgeving werden door eene fijnen Sproeiregen (de Engelsche: spray) met diezelfde oplossing overvloedig bedauwd en bedruppeld.
Wie was weer die spotter, die beweerde dat de heelmeester trok op een lijnvisser, daar ze best “opereerden” in den regen?!

Twee jaren later voerde Lister nog het gebruik van “catgut” in ―dat niet als zijdedraad b.v. voor onze weefsels als vreemd lichaam werkt, maar als eene opslorpbare bindstof― om de diepliggende wonden en de inwendige weefselscheuren te vermaken en aaneen te naaien.
In talrijke geschriften, waarvan het laatste: “Principles of antiseptic surgery” in Virchow's Festschrift in 1891 te Weenen verscheen, miek Lister zijne “wondbehandeling” aan de artsen, tot algemeen bezit, bekend. Ook werd zijn ziekenhuis te Edinburgh en naderhand het Kings College Hospital te Londen, waar hij later les gaf en zijne behandeling, stelselmatig en met prachtige uitslagen, toepaste, een ware “bedevaartsplaats” voor alle heelmeesters van de oude en de nieuwe wereld!
'T was een echte zegening voor 't lijdende menschdom. Men geloove echter niet dat alle heelmeester, met de nieuwe behandeling bekend gemaakt, zoo maar onvoorwaardelijk en “van den morgen tot den avond” de gedachten van Lister gingen deelen en toepassen! Tegenstand was er genoeg in den beginne ―wat minachtend doodzwijgen, of verwoeden aanval zelfs― wat bewijst dat oude gedachten en oude gebruiken, volgens een oud spreekwoord, gelijk “een tweede natuur” zijn voor den mensch, en dat hij ze zoo moeilijk meermaals van zijn schouders schudt! Zal men verwonderd zijn als ik zeg dat de tegenstand of het onvertrouwen meest woedde in Engeland zelf? Niemand, trouwens, is profeet in zijn eigen land; de volksspreuk, kind der eeuwenwijsheid, kon toch om Lister's wille niet liegen?
Wel is waar had Lister, van in den beginne reeds, enkele, meest beroemde, navolgers op het vasteland ―zoo als Billroth, Bardeleben, Volkmann― in Duitschland vooral of bijna uitsluitend. In Engeland, 'k zei 't daar zoo even, werd hij min of meer geprezen of eenvoudig doodgezwegen; in Frankrijk ―het land van het licht?― en in Belgenland was hij teenemaal onbekend! Die toestand zou maar veranderen bij het verschijnen van een boek, uitgegeven door een leerling van Lister (in 1877-78), en dat, onder de hoofding “Chirurgie antiseptique et théorie des germes.” (Kiemwerende heelkunde en kiemenleer), al de gedachten, grondbeginselen en toepassingen, der Listeriaansche leer ―door Lister in de opstellen, die hij in verschillende tijd- en vakbladen verschijnen liet, rondgestrooid― samenvatte, rangschikte en tot een geheele wetenschappelijke leering, onder de leiding van den Meester zelf, herleidde en opbouwde.
Dat boek, dat ophef miek, werd nevens en naast de toepassingen door Lister in zijn ziekenhuis te Edinburgh en later te Londen gedaan, de ware verspreider der Listeriaansche leer. In Engeland ―waar meer afdruksels ervan verkocht werden dan in Frankrijk en België, al was 't ook in 't Fransch geschreven― was het de ware opleider in Lister's leering; 't was in dat schrift, meer dan 's meesters rondverspreide opstellen, dat de Engelsche artsen zelf de roemwaardige en vernuftige behandeling van hunnen eigen landgenoot gingen leeren. 'K vergat te zeggen dat die vertrouwde leerling van Lister, dat de schrijver van dat heerlijk boek niemand anders was dan... onze goede Vlaamsche vriend, de taaie werker en de vurige Vlaming en Vlaamschgezinde, Doctor Gustaaf Borginon van Brussel! Is Lister wereldberoemd geworden, zijn er door zijne leer en zijne behandeling ―overal en algemeen sedert dan aangenomen en toegepast― duizenden en millioenen menschen van den wissen dood gered, dan is dit wel eensdeels ―laat mij zeggen om wille van de waarheid, al weet ik dat ik de nederigheid van mijnen geëerden vriend kwetsen kan― en voor een goed deel zelfs aan onzen trouwen landgenoot, doctor Gustaaf Borginon te danken!
Hulde en eer aan hem, aan den geleerden Standvlaming!

Natuurlijk zijn, in de loop der jaren ―niets staat stil in de wereld, de wetenschap zoo min als wat anders― vooral ten gevolge der onderzoekingen van den grooten Duitscher Prof. Dr. Robert Koch, de opvattingen en de toepassingen der wondbehandeling geheel gewijzigd; de maatregelen tegen de luchtbesmetting hebben plaats gemaakt voor maatregelen tegen aanrakingsbesmetting.
Geen “spray”, geen “sproeiregen” meer om en rond den lijder en den arts; de heelmeester werkt tegenwoordig niet meer in den regen, wel in 't droog!
Maar wat doet het er toe dat het kiemweerende (met een bastaardwoord: antiseptische) verband vervangen is? Wat doet het dat mes en vliem en al het andere alaam en getuig van den heelmeester kiemvrij gemaakt worden door kokend water of damp, in plaats van door karbolzuur? Wat voor grondbeteekenis heeft het dat wij tegenwoordig handen en snijveld met zeepsop, alcool en sublimaat, en niet meer met carbol ontsmetten? Wat doet het indien wij, vandaag of morgen, nog veranderen, en om stap te houden met de immer scherende wetenschap, zeepsop, alcool en sublimaat ook laten varen om enkel en alleenlijk misschien nog iodii tinctuur te bezigen? Het antwoord mag en moet eensluidend heeten op al die vragen: niemendal! Lister is en blijft de vernuftige geest en de weergalooze meester, die de grondslagen gelegd heeft van gansch de ontsmettingsleer, waarmede duizenden en millioenen menschen het leven gered zijn en het mogelijk werd aan de Heelkunde werkelijk voortaan een bijna onbegrensde en onbeperkte of onbepaalde vooruitgang en ontwikkeling toe te kennen!
Zijn naam zal gezegend blijven tot in de eeuwigheid!

Na deze korte schets van Lister's werk, wenschte ik nog een half woord te zeggen over zijne heerlijke loopbaan en levensgang.
Joseph Lister werd den 5den April 1826 te Upton in Essex (Engeland) geboren en leerde de geneeskunde te Londen waar hij in 1852 tot bachelor of medicine werd benoemd. Twee jaar later werd hij inwonend heelmeester aan de Royal Infirmary te Edinburgh, in Schotland, bij wiens ziekenhuis hij in 1856 tot Assistant surgeon (hulpheelmeester) bevorderd werd. In 1860 werd Lister hoogleeraar benoemd in de heelkunde aan de Hoogeschool van Glasgow...
Hooger op is reeds vermeld dat het in 1867, en wel bij het tijdblad “The Lancet” was dat hij, voor de eerste maal, de grondgedachten van 't geen later de “Listeriaansche leering” zou heeten en wereldberoemd worden, in druk gaf, al was het reeds zes jaren dat hij geleidelijk aan zijne leerlingen deze nieuwe denkbeelden meedeelde en in zijn ziekenhuis onder hunne oogen toepaste. In 1869 volgde hij zijn schoonvader, Professor Syme op, als hoogleeraar aan de Hoogeschool van Edinburgh, aan wien de rijzende zon van zijne stijgende wereldberoemdheid grooten luister schonk.
'T was in Edinburgh, in 1877, dat onze gevierde landgenoot, Dr. G. Borginon bij Lister, wiens trouwe leerling hij werd, ter school ging.
Later, in 1892, ging Lister over tot het King's College Hospital te Londen, als leeraar in de Heelkunde, bediening die hij tot zijn laatste jaren vervulde.
De koning van Engeland, willende zijne hooge diensten, zoo bereidwillig aan wetenschap en land, zoo dienstvaardig aan het gansche mensdom bewezen, met luister herkennen, verhief hem intusschen tot het Lordschap; Lister miek ook deel van het Lagerhuis, waar hij, onder meer, optrad in de anti-vaccinatie betwisting.
De dagbladen hebben ons de dood van Lord Lister gemeld; 't moet mis zijn. Mannen als Lister sterven niet! Ontegensprekelijk blijft hij leven in duizenden en nog duizenden heelmeesters die dagelijks, en in alle landen, dank zijne heerlijke en vernuftige leering, millioenen en nog millioenen menschen in den loop der tijden van den dood redden zullen. Van Lister mag in volle waarheid gezegd worden:

GESTORVEN, LEEFT HIJ VOORT!

Antwerpen, Dr Hilaire Allaeys.

 

                                                                         

                                                                   Lord Joseph  Lister 1826- 1912

                                                                                            

 

 


Sphygmograaf Print

                                                        

                                                        

                                                                 Sphygmograaf  van Marey

                                                                                 1900

The French physiologist Marey (1830-1904°was a pioneer in the study of blood pressure and the developer of the first practical sphygmograph. Marey’s invention magnified the movement of the pulse and recorded a tracing of it on to paper. The above work was a comprehensive study of the circulatory system in its normal and diseased states. Marey, who also pioneered the use of sequential photographs as a study of the mechanics of locomotion, is regarded as a major contributor to the development of the motion picture.

                                                                    

mesuring bloodpressure.doc

Inloggen
Gebruikersnaam

Wachtwoord

Onthoud mij
Wachtwoord vergeten?
Zoeken
Momenteel online
36 guests online